Oosterschelde

Natuur in deOosterschelde

Wie de Oosterschelde bezoekt, beseft vaak niet meteen dat hij een natuurgebied van internationale allure aandoet. Want wat is er te zien? Water, water en nog eens water. En water is in Nederland niet erg bijzonder.

Een vaste bewoner van de Oosterschelde: de Heremietkrab

Vanaf de dijk kun je namelijk niet onder water kijken. Je ziet niet dat hier plantaardig en dierlijk plankton voorkomt. En dat op sommige plaatsen wel meer dan 9000 bodemdieren per vierkante meter leven! Vogels en vissen zijn al beter zichtbaar. Zij zijn afhankelijk van de bodemdieren. Dankzij de getijden zijn de ondiepe gedeelten van de Oosterschelde, waar de meeste bodemdieren leven, steeds gedurende de laagwaterperioden bereikbaar voor vogels, die voedsel zoeken.

De oppervlakte van schorren en slikken in de Oosterschelde wordt kleiner door de Stormvloedkering.

Visserij in deOosterschelde

Het behoud van het zoutwatermilieu in de Oosterschelde betekende ook het behoud van de visserij op schelpdieren. De Oosterschelde wordt al eeuwen door de mens gebruikt voor de schelpdiercultuur; bijvoorbeeld de beroemde Zeeuwse mosselen en oesters.

Mosselen

In de Oosterschelde worden op twee manieren mosselen gekweekt: op mosselpercelen op de bodem van de Oosterschelde en via de hangcultuur. De eerste manier is van oudsher bekend. Het mosselzaad wordt geoogst, bijvoorbeeld uit de Waddenzee en uitgezet op speciale percelen. Daar zijn de omstandigheden voor voedsel en stroming optimaal voor de groet van de perfecte Zeeuwse mossel. De hangcultuur laat het mosselzaad uitgroeien tot mosselen terwijl ze hangen aan een soort verticale kabel in het water. Deze hangcultuurmosselen zijn over het algemeen groter en zwaarder dan hun liggende soortgenoten. Op Neeltje Jans worden in de voormalige bouwdokken mosselen via de hangcultuur gekweekt.

Oesters

Misschien wel de bekendste Zeeuwse delicatesse. De echte liefhebbers eten ze rauw uit de schelp met een druppeltje citroensap. Maar ook gegratineerd zijn ze niet te versmaden. Overigens kent de Oosterschelde twee soorten oesters voor de consumptie: de platte Zeeuwse oester en de wilde oester. Oesters kunnen iets wat wij van nature niet kunnen: ze veranderen zelf van geslacht. Een paar keer per jaar zelfs. In het voorjaar stort de mannelijke vorm zaadcellen uit in het water. Even later gevolgd door de vrouwelijke oesters, die eitjes produceren, maar die in hun schelp houden. De eitjes worden in de moederschelp bevrucht door de vrij rondzwemmende zaadcellen. Daar ontwikkelen ze zich tot oesterlarven tot ze groot genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen. De oester stoot de larven uit met een paar krachtige bewegingen van de schelp. Bij dit klappen kan de moederoester al weer bijna de mannelijke vorm hebben. De larven worden een paar dagen meegevoerd door de stroming en moeten dan een plek zoeken om zich aan vast te hechten: een harde, schone en niet te gladde ondergrond met niet te harde stroming. De oesterkweker maakt van deze tijd gebruik door de larven te vangen en ze uit te zetten op oesterkweekplaatsen met de juiste condities. Zo verzekert hij zich van een goede oesteroogst.